Voel me alsof ik ieder moment een scène kan trappen. Door mezelf op de grond te werpen en te krijsen, spartelen en trappelen uit protest. Sommigen noemen dat een aanval van hysterie. Het is de warmte, ongetwijfeld. En nee, ik wil niet klagen, ik mag niet klagen, ik doe dat dan ook niet, maarrrrrr… af en toe voelt het aan of ik bij dezen een zeer kort lontje heb ontwikkeld. Het zal de menopauze zijn. En zeg nu niet, dat jij daar geen last van hebt, want dat alleen al is toereikend om míjn lontje vlam te doen vatten.

Normaliter zal ik de eerste zijn, die toegeeft dat al die verschillen in de mensheid juist de leukste verhalen doet opleveren. Dat is tót dat die ander weer roept, dat ze geen last hebben van mijn euvels.

Zo vroeg vandaag iemand aan me: ‘Ik zie dat je nogal transpireert, heb je veel last van de warmte?”
“Nogal!” was daarop mijn antwoord.
“Nou, ik heb er niet zo’n last van,” constateerde het mirakel, “en vind dat we niet mogen klágen, de zomer is dan wel erg warm, maar dat is nog geen reden om te klagen?!”

Waarop ik dan met nog wat meer vraagtekens kom te zitten. Iemand stelt me een vraag, wat op zich niet had gehoeven, het antwoord was nogal voor de hand liggend. Ik zuchtte en steunde niet eens, het is gewoon overduidelijk dat ik veel transpireer. Vervolgens krijg ik het verwijt dat ik klaag, wat ik niet helegaar niet doe, maar me wel even wordt ingewreven. Tussen neus en lippen door. Van dat soort gesprekken heb ik een zeer kort lontje ontwikkeld gedurende mijn leven. Bijna zou ik er een zweepje op loslaten. Tjakká.

Dat overmatige transpireren is een familiekwaal, overigens. Als mijn broer – met zijn overigens slanke gestel – en ik losgaan op bijvoorbeeld een spelletje Badminton, zijn we binnen de kortste keren drijfnat. Op zich is dat een goed teken. Het lichaam werkt eraan, hard en radicaal, om het lichaam weer snel verkoeling te bieden. Maar dat transpireren is ook weer zo’n ding. Het is zo zichtbaar, immers. Ik schaam me er meestentijds unheimisch voor.

Ondertussen kalmeer ik mezelf maar met mijn zelfverzonnen spreuk:

Zomeren in Nederland, hoe okselklotsen op een regendans te doen lijken