Er is één ding dat me altijd weer verbaast over mezelf. Ik kan geen afstand doen. Zelfs niet van absolute troepjes. Van de week constateerde ik dat maar weer eens. De watermeters in de gangkast werden vervangen. De gangkast moest dus leeg. Om de chaos te vervolmaken heb ik de ene helft in de logeerkamer en de andere gewoon op mijn eettafel gezet. Des avonds – als het leed dat werk is reeds lang geschied is – sta ik dan verwonderd te kijken waarom ik ook alweer niet die avondhap op de eettafel kan nuttigen want geen ruimte.

Het duurt dan minstens een dag of twee voor ik de moed verzamel om een besluit te nemen of ik wat dingen ga lozen. Er staan nu vijf – nee, ik jok, zes – grotere plastic tassen met kleinere plastic tasjes die ik ooit ga gebruiken voor weet ik veel. Er staan pannen, potten, vazen, keukenapplicaties, en nog meer vazen.

Na tweeënhalve dag vat ik dan de koe bij de hoorns. En besluit alsnog de gangkast weer in te ruimen. En bekijk elk ornament – lees: elk stukje verleden – eens kritisch. ‘Dat kan toch niet weg?’ ‘Daar heeft ooit die bos bloemen van die en die ingestaan!’ of ‘Ooit heb ik deze nog gekregen van dat aardige jongmens waarvan ik al járen niets meer gehoord heb.’

Omdat het leven voortkabbelde. Omdat het leven nu eenmaal verdergaat met mensen die soms een andere keuze maken dan ik. Hoe dan ook. Ze gaan allemaal weer terug de kast in. Omdat ik weet dat ik ooit spijt ga krijgen van dingen die ik weggegooid heb. Daarvan ben ik overtuigd.

Het resultaat mag er zijn. Het is nu een georganiseerde bende. Of structurele chaos zo je het wilt noemen. De klus is geklaard. Met een zucht van verlichting ga ik zitten en ben blij dat me die spijt – ooit, later als ik groot ben – bespaard blijft…