In mijn leven heersen twee supergrote factoren. Daar is één, die ergerlijke realiteit. De waanzin van alle dag. Het feit dat ik ‘bijna’ niet wil conformeren. Want twee: is daar mijn grenzeloze fantasie. Die twee voeren de grootste strijd met elkaar. En het is wegens die fantasie dat ik nog steeds pogingen onderneem dit leven – de waanzin – onder ogen te zien.

Ik ben zo’n dromer, vergeef me. Een dromer die het liefst in een andere omgeving was geboren met beroemde ouders. Liefst deden ze iets in de popmuziek en had ik hun ontembare talenten als zangeres en overig symbolisch DNA overgeërfd. Al deed ik daar in het echte leven natuurlijk niets mee, want je gaat je ouders immers niet in de wielen rijden. Nee dat talent zou ik pas gaan benutten als al het andere niet zou werken. Dat is dan ook weer dat stukje vergoelijking richting die realiteit. Anders ontmoeten die twee elkaar niet.

In het echte leven heb ik natuurlijk de meest aardse mensen als ouders. Leven we met wat we hebben. Ik ben echter never nooit tevreden met deze status quo. Mijn wereld moet immers ‘maakbaar’ zijn. In mijn wereld kan en mag iedereen die als dubbeltje wordt geboren, zeker wel als een rijksdaalder (ooit € 2,50) eindigen.

In mijn dromen komen mensen voor met humor. Mensen die talent hebben en die ook koesteren. Binnen die fantasie is iedereen prachtig, lief en aardig voor elkaar.

Zo vertoef ik half in dromenland, en voor een kwart in de echte wereld. En er is nog een kwart, die is meer dood dan levend, maar het waagt zich te porren. En te morren aan.

Ik vond het altijd wel oké, dat ik pas met vijftig mijn dromen dan wel een onoorbare realiteit onder ogen wil zien. Maar halen zal ik die fantasie toch echt nooit. Daar zullen andere mensen – en die waanzin van real life – me steeds weer meer de realiteit in proberen te trekken.

Plus het feit, dat ik weet dat ik in ’t echte leven louter vals zing…