In de wachtkamer bij de KNO-arts

Zowel binnen als buiten de wachtkamer van mijn KNO specialisten is het altijd loeidruk. Als je dan toch ergens ‘last’ van hebt, vind je hier prachtige indrukken voor een nieuwe blogpost.

Of het nu het langharige typetje is die luid zit te bellen: ‘Nee, daar ligt het geld niet, het ligt onder de koffiezetter in de keuken!’ of kids die lekker flexibel op hun rechtervoet zitten te spelen aan het legotafeltje. Het is er een komen en gaan van alle soorten en maten mens. Gelukkig loopt het altijd goed door, waardoor ik binnen een stief half uurtje reeds buiten stond.

De KNO arts – een vriendelijke en kordate vent – keek me eens aan, en zei: ‘Je ogen schieten alle kanten uit!’ en keek eens in mijn oren. Hij hoorde m’n klachten aan. En ik vroeg of hij daar (nog) kaas van kon maken.

Hij glimlachte: ‘Waarschijnlijk is het een virale labyrinthitus, maar ik wil ook nog even een onderzoek doen naar de mogelijkheid van de ziekte van Menière!’

Kabang. Dat was het dan. Even had ik gehoopt dat de man zou zeggen dat ik me niet zo aan moest stellen en ’to get over it.’ Ik houd niet zo van kwalen. Ik wil er vanaf. Of vanaf wezen. Ik weet niet goed welke van de twee beter is.

‘U heeft ook last van misselijkheid door die duizeligheid, daar kan ik u wel iets tegen geven.’ Hoe lang het gaat duren, kon de arts niet zeggen. ‘Naar alle waarschijnlijkheid trekt het ook langzaam weer weg.’

Tien minuten later stond ik nog steeds tollend en duizelig buiten. Over een paar weken mag ik terugkomen voor een gehoortest. Wordt vervolgd.

En nu eerlijk?

Binnen twee maanden acht en een halve kilo kwijt zijn, zonder er al teveel moeite voor te hoeven doen. Een vreemde druk achter mijn oogkassen. Duizelingen, misselijkheid zo straal dat ik continu op zoek ben naar een spreekwoordelijke emmer. Als ik achterover ga liggen, mijn ogen dichtdoe, dan staat de wereld even op zijn kop, steeds meer duizelingen volgen. Liever heb ik mijn ogen niet dicht, maar zelfs dan ervaren mijn ogen moeite om een vast punt vast te houden.

Ik hoorde het mezelf terugvertellen aan mijn bezoek. Mijn vriendin zei dat het me wel aan te zien is. Witjes, teruggetrokken, en onstabiel. Toen ze vertrok ben ik even gaan liggen. Het mag maar heel even duren, die rust. Ik hou het niet vol om met die duizelig- en straalmisselijkheid kalm te blijven.

Na het rusten sta ik even monter op, maar niet te snel, want ik vind geen houvast. Tenzij ik me vastklamp aan een deurpost of een muur, wat heel even die schijnwerkelijkheid van stabiliteit geeft.

Man, wat heb ik een hekel aan ziektebeelden die me nu toch echt dwingen terug te gaan naar de huisarts om een verwijsbrief naar een KNO-specialist te vragen. Het zal ooit over gaan, maar voor nu probeer ik even afleiding te vinden in lezen, hoewel de letters in schijnbaar onevenredige taal voor mijn ogen dansen. Nietsdoen is lamlendig als je ’t niet wilt. Lummelen zou zo lekker moeten zijn.

Normaliter ben ik niet zo van de extreme negativiteit, maar ’t is even niet anders. Morgen is er weer een dag. Een kans om beter te worden, beter te zijn. Voor nu is ’t afzien..

Sinds een week of wat

Heb ik een kanjer van een evenwichtsstoornis. Ik kan mijn kop niet keren zonder een gigantisch gevoel voor duizelig- en misselijkheid. Lastig wel. Maar gaat vast weer over.

Ik kan een heleboel hebben voor een hele lange poos, en ik wil best een heleboel dingen doen of betekenen voor anderen, maar er knapte vorige week iets in mijn hoofd, en dan gaat er een heel naar doosje open, waardoor ik ook werkelijk alle perken te buiten ga.
En dan word ik heel onredelijk. Zonder grenzen. Ik besef dat. Meestal achteraf. En te laat. Maar menschen zouden menschen niet zijn als ze je daar niet op wezen.

Ook ik heb af en toe een ongenadig pak op m’n donder nodig. Om de rem er op te zetten. Naast dat ik voor mezelf had moeten inzien dat ik rust en pauze in had moeten lassen. Om te herstellen. En bij te komen. Ik ken mijn eigen grenzen, puur ook omdat ik vanwege stoerheid mezelf niet wil laten kennen, niet of wil ze niet zien.

Ik kan ook dermate kritisch zijn dat het niet langer redelijk is. En mensen heel erg diep beledigen.
Dat spijt me. Meestal achteraf, want zo oud als ik ben moet ik nog leren veel vaker op m’n tong te bijten. Tot tien tellen en niet direct gaan schrijven als ik onredelijk ben. Mijn excuses, voor als ze niet te laat komen, zijn dus wel op zijn plek. Het lijkt er dan op dat ik een wereldverbeteraar wil zijn, en dat is niet echt mijn plek of wens.

Iemand vertelde me ooit me niet feilloos op te stellen en open te blijven staan voor anderen. Een open houding te blijven houden en te blijven luisteren naar wat anderen je proberen te vertellen…