Lachdoorbraak

Ach, ik geef toe, het is om te huilen de huidige toestand in de wereld. En het lijkt er verdomd veel op, dat we met z’n allen afkoersen op een burger- dan wel wereldoorlog. Dat moet je niet willen. En het enige wat ons nu nog kan redden is humor. En dan louter om die verrekte opgebouwde spanningen en plotselinge opluchting te bereiken, want dat: mensen, is wat humor kan doen. En wíl doen.

De mensheid heeft humor zelf uitgevonden. En ik mag met recht stellen dat het de beste vorm van verbale expressie ooit is. Waar zouden wij zijn, zonder  zelfspotironiesarcasmedroge humorzwarte humorverbale humorabsurdisme, excentrieke personages, hyperbolen en anti-establishment-humor?

Maar natuurlijk kan humor subjectief bezien worden. Niet iedereen kan lachen, blijkbaar, om originele (lees: niet van politieke correctheid voorziene) versies van tv-series. Neem nu bijvoorbeeld Fawlty Towers; blijkbaar werden de originele (non-edited) versies op diverse kanalen vertoond en tjakka, direct staan er mensen op hun achterste poten. En worden bepaalde afleveringen van die serie per direct van tv geweerd. Hachelijk. En be’lach’elijk.

Humor is duidelijk niet voorbestemd om te worden begrepen door louter intellectuelen. Iedereen met maar een greintje EQ zal immers ook in z’n tenen aanvoelen dat er een grapje wordt gemaakt. En juist als een grapje heel gevoelig blijkt te vallen, is de beste reactie om er ‘domweg’ om te lachen. Je grensoverschrijdende vermogens te laten zien.

Tegelijkertijd, heb ik me laten, vertellen, is humor één van de moeilijkste fenomenen ooit. Om een grapje te kunnen vertellen, moet je verrekte goed nadenken om iets stoms te zeggen, waarbij je gelijk die ander tracht in te schatten op het succes van je grapje. Met het enige resultaat dat er een glimlach op die anders’ pokerface verschijnen zal.

Ach, het is met humor net als met goede communicatie. De ontvanger van de boodschap moet het immers kunnen én willen begrijpen. ‘The noblest joy is that of understanding,’ zei Leonardo da Vinci nog.

En als het écht niet wil vlotten met die humor van je, kun je altijd nog zeggen: ‘Ik houd niet van grapjes!’ Dat is pas lachen…

Coronadagboek, dag 15

De laatste dagen komt mij die hele Coronatoestanden zo absurd voor, zo alsof we regelrecht en allemaal in een of andere zotte fictiefilm meespelen, dat mijn brein steeds weer op zoek gaat naar de humor erachter. Al is die soms verduiveld moeilijk te vinden. Ik merk gewoon op, dat ik na dat uitschateren van het lachen, het allemaal weer even beter aankan. Dus zoekt mijn brein steeds weer even een moment van relativeren, blijkbaar,

En dus kon ik het al gauw uitschateren bij het zien van een geweldige berg gestapeld grote pakken wc-papier in de supermarkt. Echt tot aan het plafond werd deze voorraad gepresenteerd. Want hee, stel je ‘es voor dat klanten niet kunnen hamsteren en dat de klant dit zou missen? Ik ben wel benieuwd, hoe snel die berg slinkt, dus zal ik vandaag weer ‘es gaan spieken. Ik besef nu hoe zot dat klinkt, ‘de supermarkt bezoeken om te zien hoe mijn mede-aardbewoners gewoon, doodgewoon, pakken wc-papier aanschaffen’.

Je zult maar content raken van dit soort voorvallen, zeg maar. Dan is er iets heel erg mis met je, vermoed ik.

Humor ligt op straat, zegt men weleens. Welnu, de straten zijn leeg. Heel af en toe zie ik een verdwaalde ziel, alleen, ergens lopen. Alsof die verloren is gelopen. Wezenlijk de weg kwijt is.

En dan lees ik dat, wilde dieren nu hun opmars gaan maken in de stad. En in gedachten zie ik mezelf dan verdwalen daar, en plots oogcontact hebben met die totaal verwilderde wolf, die op zoek is naar eten. En gedurende dat korte moment besef je al gauw, dat je dan niet weet wie het eerst geslachtofferd wordt. Maar je vermoedt jezelf, want je conditie is ver beneden pijl these days. Echt hard kan ik niet rennen, weet ik. Ik denk dat ik uiteindelijk uiteengereten gevonden zal worden. Overgeslagen door dat virus, maar niet door een wolf. Welk een ironie is dat?

En zie daar, dat mijn gedachten werkelijk met me op de loop gaan.

Ondertussen is het buiten licht geworden. Ik zie een prachtige zonsopgang. Vogels die vrij vliegen. Ja, zij wel, denk ik dan heel even jaloers. Zij mogen dat. Hun vleugels loslaten op de horizon. En gelukkig realiseer ik me dan weer, dat mijn gedachten ook los mogen. Dat ik nog mag fantaseren. Ver weg van onze zintuiglijke waarnemingen. Alsof je een andere waarheid proeft…

Waarom ik walg van foute schoonmoeder grapjes

Ik heb humor. Echt waar. Ik houd van grapjes die doordacht zijn, en geintjes die zonder meer een glimlach op mijn pokerface toveren omdat het lekker flauw is. Ik onderzoek vaak hoe ik een blogpost die ik met mijn serieuze ondertoon toch een beetje kan opleuken, door er iets van humor in te bouwen.

Er zijn hopen mensen die beweren dat ze een uitstekend gevoel voor humor hebben – net als ik – maar altijd ten koste van die ander en zich daarbij prettiger voelen. Dat laatste is de meest agressieve vorm van humor. Helaas kan dat slag mensen niet anders. Ze hebben nog niet geleerd anderen te amuseren en communicatie te vergemakkelijken, als in: affiliatieve humor.

Waar ik persoonlijk sterk in ben is die ietwat humoristische en nuchtere kijk op mezelf te houden en wat zelfspot in te bouwen, wat men dus zelfversterkende humor noemt. Wat weer iets anders is, dan mezelf naar beneden halen om daarmee die ander aan het lachen te brengen, juist: de zelfbeschermende humor.

Er zijn mensen die dus niet anders kunnen dan een ander te ridiculiseren, en stiekem weet je dan natuurlijk dat die ander zich waarschijnlijk erg veel moeite heeft moeten getroosten om positieve relaties op te bouwen. Het is soort van een onderontwikkeld zelfvertrouwen. Hoe moeilijk ik het ook vind want er zit altijd weer een soort van realistische steek onder water in. En soms moet je iemand anders’ mening respecteren, hoe fout dat ook is.

Maar als iemand altijd weer zo’n agressieve vorm – en niet anders – kan bedenken. Als iemand altijd weer een ander te kakken moet zetten om daar zelf beter van te worden, dan lopen de griebeltjes me over de rug uiteindelijk. Natuurlijk moet je je schouders ophalen, en lekker flauw je tong uitsteken naar zo iemand.

Soms heb ik dan medelijden. Het is blijkbaar erg moeilijk voor die ander in te zien, hoe hij zichzelf voor gek zet, uiteindelijk. Want ik zal niet de enige zijn, die dat door heeft.

En dan weet ik plots weer waarom het zo belangrijk is dat je iedereen oprecht benadert en minstens drie tot duizendenéén kansen moet bieden:

Everyone you meet is fighting a hard battle you know nothing about. Be kind. Always.

Live and let die

Ik begreep het nooit die spreuk. Ik vond altijd dat je het mensen moest gunnen, dat leven. Zelfs als hun leven uit niets anders dan negativiteit bestaat. Ik begrijp ook de noodzaak tot het leven van een ander benemen niet. Ik voel die noodzaak niet. Als iets me niet bevalt, zet ik die ander heel even in een *negeerstandje*. Totdat ik – zelf – die ander weer op een plezante manier kan bejegenen, that is.

Vanmorgen las ik een artikel dat onze vrijheid van meningsuiting verdwenen is. En dat vind ik een heel kwalijke zaak. Ik begrijp dat we nu – als altijd – in een multiculturele samenleving wonen en dat we ons allemaal moeten aanpassen. Ik begrijp, dat er van oudsher gevoelige onderwerpen zijn, waar we – met z’n allen – niet over ‘mogen’ praten.

Wat ik niet begrijp is dat humor er niet – meer – is. Als er iets is, wat mensen bindt, dan is dat humor, naast muziek, maar dat terzijde. Dat laatste is ook weer zo smaakgevoelig.

Maar misschien moet ik zelfs dat begrip loslaten. Om een nieuw leven te beginnen. Het wordt alleen allemaal wel verdraaide saai op deze manier. Nee, ik wil je nu niet doodgooien met het principe dat een dag niet gelachen, niet geleefd is. En dat al die spieren die dan gaan werken als je al lacht je wezen met 1.001 procenten in de plus – dus geluk – stijgt. Ik wil je niet bewerken.

Ik wilde alleen dat men eens – minder – serieus naar zichzelf keek, en dan met een knipoog weet terug te kijken op zijn/haar eigen leven en patronen. En ook dat je dat koestert, maar niet genoeg om er niet om te kunnen lachen…

Toch nog een familie-mens after all

Gister vierden we de verjaardag van di Mama (76). En ik zit dan liefst de hele boel eens rustig te observeren tijdens zo’n ronde-kring verjaardag terwijl ik op dat laatste helemaal niet zo tuk ben. Beter vind ik een kroegfeestje. Maar wat een grappig resultaat is er teweeg gebracht tussen jong & oud wat gister mee kwam vieren. We hebben Belgisch bloed in onze aderen, wat van moeders kant altijd weer die humor doet sprankelen. Ik houd daarvan.

Dat je van die grappige omes en tantes hebt. Die, al hebben ze ‘geleefd’ en zijn ze stevig verankerd in onze Hollandsche bodem als typisch nuchtere mensen, in staat zijn hilarische gesprekken te voeren. En dat ze zelf ook kunnen grinniken en hinniken om de wendingen die het leven soms neemt. Dat ik dat alleen al prachtig vind. Want humor is zó belangrijk.

Gisteren bekeek ik de jongere zus van mijn moeder eens nader. Hoewel er vroeger werd gezegd dat ik sprekend op de zus van mijn vader leek, dit nu langzaam – heel langzaam – verandert naar moeders kant. Mijn tante en ik waren vroeg grijs. Hebben dezelfde lengte en datzelfde loopje. En zo zijn er nog wel wat dingetjes die overeenkomen qua oog voor schoonheid en kleding.

Gek dat ik daar vroeger nooit over nadacht. Maar dat je familie-genen dus zo bepalend kunnen zijn. En nog gekker dat ik dat dan weer als een soort van ‘dankbaarheid accepteer’, terwijl ik me vroeger zo kon afzetten tegen alles wat ook maar familie was. Soort van.

De laatste tijd bekruipt me steeds meer de angst wat er van mij moet worden als al die lieve mensjes het leven gaan laten. Wat moet er dan van mij worden? En dat is natuurlijk weer zo’n typische egocentrische uiting van mij, maar hee, ze worden ‘plotseling’ allemaal wat ‘oud’.

En hoewel ik niet geloof in een hogere macht denk ik dan heel even te kunnen bidden dat die mensjes nog lang in ons midden mogen blijven. En dat je dan bidt: ‘have mercy…’