Betreden op eigen risico

Een kat die verderop schijnbaar lui ligt te pitten, netjes in zijn mand. En een andere poes die languit op haar rug gespreid ligt, voor dood. Zoals het mijn feline vriendjes nu eenmaal betaamt. Echter, niets ontgaat hem. Of haar.

Ik zag het gebeuren; mijn hordeur met kippengaas laat genoeg ruimte over voor allerhande invliegende insecten. En mijn balkondeur staat deze heerlijke zomer meestentijds wijd open, ook voor het soort vlieg, mug, wesp, ja en zelfs binnenwandelende spinnen. Ze zijn echter bij lange na niet genoeg voorbereid op wat er dan geschiedt.

Als zo’n insect dan schijnbaar even onschuldig hier binnenvliegt, krijgt het te maken met een doodseskader van heb ik jou daar. Mijn vliegenmepper doet het ze, heus waar, niet na. Bij lange na niet.

De kat wordt de insect gewaar, springt levendig als nooit tevoren op en deelt klappen uit. Enkele. Maar altijd gericht op raken. Terwijl die vlieg in doodsnood of de wesp met zijn angel reeds klaar ligt te kronkelen, en steeds weer die poging waagt om toch nog weg te kunnen vluchten, krijgt het steeds – wreed en meedogenloos – kleine klapjes te verwerken. Dat spel duurt soms úren. Terwijl dat insect zich soms niet eens meer bewegen kan. Het lijkt een bron van vermaak voor mijn katten. Een godsgruwelijk barbaars soort van vermaak wat ik meestal niet al te lang wil laten duren. Ik spoel de gehavende insect dan – bij wijze van genade – maar snel door het toilet.

‘Als het dan toch dood moet, doe het dan snel en pijnloos!’, spreek ik mijn katten meermaals vermanend toe.

Maar dan geven ze weer dat lieve koppie, en strelen ze mijn handen, zodat mijn hart weer eens wordt aangesproken op die verrekte verliefdheid op dat lenige en venijnige feline ras. En goh! Wie ben ik dan, om niet te vergeten en ze niet te vergeven dat mijn huis al die jaren insectvrij blijft?

Twee vliegen, maar geen klappen

Geërgerd sla ik in mijn onderbewuste die ene vlieg weg waarna een andere een aanval doet. Zo word ik al een paar uur geteisterd. Het maakt niet uit hoe ik ook sla, de beestjes schijnen op de een of andere manier aangetrokken te worden door mijn geur of kleuren. Heel af en toe spiek ik om, maar die twee andere draken die doorgaan voor het feline soort liggen in volmaakte rust vredig te slapen.

Dat is wel eens anders geweest. Zodra in vroegere tijden de balkondeur open stond en er een insect het lef had hier naar binnen te vliegen, ontstond er een moord- en doodslag voor zo’n tweevleugelig insect. Een spelletje voor mijn katten. Ik heb járen absoluut geen last gehad van dat soort onderkruipsels in mijn huis. Ze lagen al voor Pampus voordat ze er erg in hadden.
Katten zijn wat dat betreft best wreed. Ze eten het diertje pas op, als het volledig lam is geslagen. Voor die tijd is het uitdagen, en bij beweging, alsnog die klap op hun kop.

Bijna had ik dan ook dat bordje buiten gehangen: ‘Betreden op eigen risico!’

Ooit vond een van mijn katten uit mijn eerste setje, een duivennest. Hij stal een jonkie, en deponeerde het pardoes voor mijn voeten, terwijl ik in de keuken het avondmaal stond voor te bereiden. Hij keek me aan, alsof hij wilde zeggen: “Die kan zo in de pan.”

Maar de tijden van alertheid lijken voor ook voor dit setje feline beesten voorgoed voorbij. Ze worden immers ook al wat ouder. Af en toe slaan ze wat lui met hun poot, als ze al een vlieg gewaar worden, maar dat is deze zomer voor het eerst alle actie wat ik wat hun mag verwachten.

De felheid is eruit. Dat speelse om een hoekje tevoorschijn springen, dat elkaar af en toe flink afmatten, dat is tegenwoordig een lief likje aan elkaars voorhoofd. En nog steeds vind ik ook dat laatste super schattig.

Enfin, vandaag maar eens op pad voor een elektrische vliegenmepper.

Aan hen die niet aan katten doen

Hee hallo… Het valt mij altijd op, dat jij – als notoire huisdiermijder – ons mét, altijd wat viezig bekijkt. Ik zie het al helemaal voor me, jij walgt van die altijd rondslingerende verloren haren, die ongelukkige gevalletjes van kots en ontlasting en vooral het feit dat ik mijn feline vriendjes ’s nachts in bed laat mee slapen. Gewoon in mijn eigen bed. En dat ik soms ineengekropen moet slapen, omdat zij alle ruimte van me inpikken.

Jij vindt het maar raar, dat ik spontaan in een melige proestbui uitbarst zodra een der katten op jouw hoofdkussen springt om een kijkje te nemen tijdens onze vurige seksescapades. Jij wil dat ik ze dan buitensluit, de deur op slot draai, terwijl ik dan zeker weet dat de verf op diezelfde deur z’n langste leven wel heeft gehad. Je snapt absoluut niet, waarom ik het sneu voor ze vindt en binnen no time die deur weer openknal. En dat ik pogingen waag gesprekken met ze te voeren, soms zelfs in hun eigen moerstaal.

Jij weet niets van de pijn van de schrammen die ik opliep toen ze nog kittens waren en tegen mijn benen op klauterden terwijl ik hun eten zo vers uit het blikje in hun etensbakje deponeerde. En dat ze meedenken met me, want als ik sta te koken, ze dan liefst dat net uit hun nest – in die boom in de tuin – geroofde merelkuiken voor mijn voeten neergooien: ‘Dat kan toch zo in de pan?’

Wat jij waarschijnlijk nooit kunt vermoeden, is dat ik des zomers altijd weer beschermd word tegen muizen en insecten die niet voorbij mijn balkondeur binnen kunnen vliegen, anders sterven ze een onaangename speelse dood. En dat ik ’s winters altijd weer warm, met hun gespreide lichaampjes tegen me aan, lekker slaap.

Jij zag waarschijnlijk nooit te diep in die ogen, en ontwaarde daar nooit die onvoorstelbare intelligentie, als ze weten wat mijn stemming vandaag weer is. De likjes die ze je even geven, als lijkt het erop dat ze je daarmee omkopen hun het komende half uur volledige aandacht te schenken. Dat ze spinnen als je ze intenser aait. En dat ze terugkomen voor meer van dát als je ’s morgens wakker wordt, alsof ze blij zijn dat je überhaupt ontwaakt.

Zij maken door hun never ending empathische vermogens dat hun karakters volwaardige plaatsen binnen mijn huishouding in mogen nemen. En dat die karakters van hun vaker wel dan niet net zo veel gewicht in de schaal leggen als die van elk familielid of dat ze door mogen gaan voor een net zo belangrijke vriend of vriendin.

En ja, iets in jouw houding vertelt mij, dat ik daardoor minder kan vertrouwen op jou als mens. Omdat wij, mijn feline vriendjes en ik samen – onafscheidelijk – willen zijn, zoals het mens en dier betaamt.

Waarom je nooit je beestenliefde moet opgeven voor een man

Ze kwamen in een mandje. Twee katers, één gitzwart, en een rode gestreepte. Twee broers en nog kittens. Erg Noors qua uitstraling. Hadden best lange poten. Binnen no time klommen ze via mijn benen (auw) op het aanrecht, voornamelijk als ik hun het avondeten gaf. De keren dat mijn haren rechtovereind stonden van de schrik (ieks), omdat een van de kittens achter een deur zat te wachten en direct in de aanval ging op alweer mijn stampers, waren ontelbaar. Ik heb ook vaak smakkerds gemaakt over stoelen en tafels, tot zelfs een hersenschudding aan toe (sirene ambulance), omdat een van de kittens vlak voor mijn voeten een aanval deed. Heb snorharen en staarten gered van te dichtbij een brandende kaars manoeuvreren. Maar hemeltjelief, hoe snel veroverden deze hairballs mijn hart?

Het heeft me ook relaties gekost. En avondjes seksen. Want ga een kat maar eens vertellen waarom een slaapkamerdeur ineens voor hun nieuwsgierige neusjes op slot ging. Uit wraak krabten ze de verf – en dat urenlang – eraf totdat een van mijn ex-en daardoor te veel werd afgeleid en er geen zin meer in had.

Ik werd meermaals voor een voldongen feit gesteld; of de katten eruit, of zijzelf.

Maar welk een garantie bracht een prille relatie me dan wél, en hoeveel zekerheid zou een relatie mij brengen, als ik bij voorbaat al mijn liefde voor beesten moest opgeven?

Ik koos dus altijd weer voor mezelf, én een katterige haat-liefdesverhouding met deze twee heren. Al kon ik ze niet goed opvoeden, daarvoor ben ik te inconsequent. Ze schonken me meer voldoening met hun gesnor en gespin als ik thuiskwam, en hadden ook meer begrip voor mijn ellenlange verhalen over louter mezelf. En better yet, ze betweteren nooit en zijn het ook nooit oneens met me. Al ben ik blij, dat ze niet – zoals wij – kunnen praten, want Godbetert, berg je dan maar…

Dilemma

Een buurman die onlangs zijn vrouw aan dezelfde ziekte verloor zal zelf ook eerdaags het leven laten. Het is die gruwelijke ziekte die Kanker heet. Ik heb het heel erg met die familie te doen.

Hij heeft een rode kat of poes, daar is men nogal vaag over. En als het een poes is weet ik direct dat ik dat beestje een leuk nieuw gezin wil geven. Als het een kater is, dus niet.

Ooit begon ik met twee katers, omdat broerlief een hond nam

Het waren twee mirakels. Ze klommen in de gordijnen. Klauterden langs mijn benen op het aanrecht met gruwelijke wonden mijnerzijds tot gevolg. Liepen over kaarsen waardoor ik meer dan eens een vlammende staart heb moeten redden van een wisse dood. Stonken vreselijk als ze een kattenbak bezochten. En vooral een van de twee leed aan continue diarree.

Ze werden respectievelijk 14 en 19 jaar oud.

Twee cadeautjes voor het leven

Toen de oudste nog leefde meldde een van mijn buurvrouwen dat ze haar twee katten, waaronder een poes kwijt wilde. Het was zo’n cadeautje voor Valentijnsdag aan elkaar geweest, maar ze hadden never nooit voorzien dat die feline vriendjes zoveel haren en des temeer kattenkwaad uit zouden richten. Conclusie: exit. Geen nood: ik nam ze over vooral omdat een van de twee een poes is.

Zou ik dan toch?

En jeetje, wat raakte ik tot over mijn oren verliefd op poeslief. Ze is de schattigheid zelve. Volgens mij heeft ze het uitgevonden.

Waar ik ga, is zij. Als ik mezelf op de sofa neervlij, zal ze het niet nalaten om op de leuning dichtbij te gaan liggen. En ze miauwt net zo lang totdat ik haar streel en aai. Ik voel onderhuids dat kirren van d’r.

Het is echter geen schootkat. Maar, dat zijn ze geen van tweeën.

Twijfelen is mijn tweede natuur

Nu dus dat gruwelijke dilemma. Ik heb bijna alleen maar vragen, wat de leeftijd is, welk geslacht en hoe het zit met de gezondheid van het beestje? Maar bovenal, wil ik iemand de geruststelling bieden dat zijn vriend voor het leven een goed gezin zal worden geboden? Of moet ik mijn huidige serene setje met rust laten?

Ik pieker nog even door…