Niet schrijven, nee!

Mijn blik valt af en toe op mijn spiksplinternieuwe boekjes die ik ergens demonstratief heb gedeponeerd. Centraal in mijn woonkamer. Ze hebben zo’n kaft met dierenprint. Heb ze ergens aangeschaft voor peanuts. Er zit zelfs zo’n mooi lint in, zodat je het altijd kunt openslaan daar waar je gebleven bent. En ik zou, maar dan toch écht, de nog lege velletjes kunnen beschrijven. Maar ik aarzel. Steeds opnieuw.

Het is net alsof je je WordPress editor opent, en je die knipperende cursor weer ziet na een lange poos. Soms is dat geknipper gékmakend. En soms, ook, maant de cursor je tot geduld. Maar ik dwaal weer eens af.

Stel je voor, zeg, dat je in zo’n spannend boekje iets opschrijft wat je eigenlijk niet gedacht, gemeend, gevoeld of gewild had hebben. Daar zou ik me dan dagenlang achteraf, over kunnen ergeren. Zo’n boekje verdient immers méér. Iets integers. Iets moois. Ik ben er zuinig op.

Ik mag er dan ook niet in schrijven met een gewone pen. Nee, dat moet minstens met een vulpen. Of nog liever, met een potlood, zodat ik kan gummen als het geschrevene me niet aanstaat. Plotseling bedenk ik me dan, dat ik ook wel eens een goede gum mag aanschaffen, want ik heb er geen.

En dus wacht ik met schrijven. Ik wacht tot ik letterlijk een ons weeg. En ik weet dat dat moment komt, waarop ik de totaal onbeschreven boekjes zal willen beschermen. Dat ik ze dan maar veilig wegleg, in een laatje, van een bureau. Totdat ik dan in een ander moment onverhoeds op zoek ben naar iets heel anders, en mijn blik opnieuw – aarzelend – valt op deze tabula rasa.

De tijd dat ik mag schrijven, onbekommerd, en met alles op zijn beloop, en de kans die ik het geef, om ook terug te lezen is nog niet gekomen. Ik weet ook niet, of het ooit nog komt.

Ik weet niet of ik mezelf mag toestaan over futiele onderwerpen los te gaan op schrift. Wat heet, ik weet werkelijk niet eens of ik nog wel met de hand kan schrijven…

Taal

Er gebeurt iets grappigs met mij als ik ziek ben. Dan krijg ik altijd de onweerstaanbare drang om een markant boek op te pakken dat me smeekt te vertalen. Maar dan vertaal ik dus altijd naar het Engels. En zo is mijn liefde voor taal eigenlijk min of meer ontloken (mooi woord). Ik wil namelijk veel woorden en synoniemen kennen en dan ook nog de Engelse varianten. En spelen met taal als Kunstje.

Om op je 11de te gaan beginnen met het vertalen van een boek dat me bij de strot greep naar het Engels, is daar een zinnige psychologische verklaring voor te vinden, vraag ik je?

Anyhow, dit boek dat ik dus wilde vertalen, was al vertaald vanuit Engels naar Nederlands. En dus zou je kunnen stellen dat ik helegaar niet hoefde te vertalen. Nee, dat wist ik ook wel, maar ik wilde de tijd min of meer doden door afleiding te zoeken. En mezelf aangenaam verpozen met vraagstukken, als in, hoe vertaal ik een zinsnede nu het best.

Ik ben mijn carrière misgelopen, wat ik je brom.

Het boek mag ik je zeker niet onthouden: Gevangene van haar Hart, en als absolute uitschieter in het western genre mag dit zeker niet ontbreken in je boekenkast:

Het is een evenwichtig verhaal, dat inzicht geeft in de drijfveren van blanken en indianen ten tijde van de verovering van het wilde westen door de kolonisten. Een jong meisje komt na een gijzelingsdrama bij de Comanche-indianen terecht. Zij wordt een van hen en trouwt met de latere leider van de indianen. Tijdens rooftochten strijdt zij aan zijn zijde en doet voor een geoefend indiaan niet onder. Zij maakt de teloorgang van de indianen mee, die uiteindelijk niet opgewassen zijn tegen de overmacht en de wreedheden van de blanken.

Het boek leerde me bovendien een aardig eind op weg, hoe een spannend verhaal kan worden opgebouwd. En what’s worse, hoe ik mezelf dat ook wilde aanleren. Ik kreeg zo’n alleJezus respect voor de schrijver van dit boek, dat het me jaloers maakte.

Namelijk, diep binnen in mij schuilt een schrijfster die er uit wil.