Het alter ego van een schrijver

Zo vaak dat ik ’s nachts onrustig wakker word. En die noodzaak tot rust nemen, niet langer zie. Ik moet er dan uit. Ik moet i.e.t.s. Ik wil me in het pikkedonker – gehuld in die warme deken van de nacht – laten verdwalen, zelfs als ik niet zeker weet waar het eindigt. Hoewel ik meestal wil schrijven.

Ik voel me dan als een vis die leert te fietsen. De hele wereld ligt voor me open. Scala’s van opties en mogelijkheden dienen zich onverwijld aan, en vaak weet ik dan niet waar ik zelfs zou kunnen beginnen. Dus verander ik mijn logo. Bekijk mijn tijdlijn op Facebook eens. Lees andermans blogs, vaak zelfs zonder die verplichting om daaronder een reactie achter te laten. Dat prikkelt, want dat laatste ergert me enorm.

Het is vaak goed, zoals het is. Mijn reactie op andermans blog zou een veeg teken zijn, dat ik iets wil completeren dat niet aan mij is. Terwijl ik zelf zo graag zou willen dat men ook hieronder reageert, laat ik die verplichting voor wat het is. Het is dat stukje veronachtzaming. Het is tegelijkertijd een paradoxaal gegeven.

Dus keer ik terug naar mezelf, want ’s nachts kan ik dan eindelijk eindeloos vertoeven in anonimiteit.

Het is datzelfde excuus voor wat ik altijd al roep: ‘Nee, ik heb geen tijd om te lezen. Dus schrijf ik maar zelf.’

Terwijl we allemaal weten dat die stiekeme onderliggende nijdzucht ten aanzien van de capriolen van andere schrijvers me onverwijld in deze hoek dwingt. Een hoekje waar ik me veilig kan wanen, want ik heb immers meer dan genoeg aan mijn eigen karakteristieke opinie en bokkensprongen. Er kan even niets meer bij. Er hoeft ook niets meer bij, niet van anderen, want het alter ego van een schrijver verlangt immers zelf danig gestreeld te worden…

Show and tell

Loop soms wat rood aan, en blijk nadien ernstig in dubio over mijn kunstje, als ik vraag of anderen mijn teksten evalueren. Het grappigst is, dat er geen spaan van over blijft. Niet van mijn teksten, en zeker niet wat betreft mijn gevoel van eigenwaarde.

Men begint eerst mijn komma- en streepjesgebruik af te kraken, waarna men dan heel stoïcijns meldt dat je wellicht wat meer ‘show, don’t tell’ zou kunnen gebruiken. En toch word ik gelezen. Vaak. Veel. Men begrijpt blijkbaar dondersgoed wat men van mij leest. En what’s worse, men komt nog eens terug om nog meer te lezen.

Dat terwijl ik steeds stelselmatig weiger om een cursus schrijven te volgen. Ben maar al te bang, dat men me in een keurslijf gaat dwingen. En dat ik daarmee mijn – ow hoera, nog zo’n eigentijds woord – mijn ‘authenticiteit’ zal verliezen.

Natuurlijk klop ik mezelf op de borst, want als een rasechte exhibitionist, doe ik het daarvoor, dat mijn lezers terugkomen. En zucht, dat exhibitionisme van mij, betekent niet per se dat ik in een regenjas buiten loop en mezelf al nakende posteer ten aanzien van de eerstbeste voorbijganger. Nee, ik benoem dit als exhibitionisme omdat ik in real life waarschijnlijk de kans niet krijg om zo buitenproportioneel uit mijn dak te gaan met verhalen of persoonlijke zienswijzen. Het komt er gewoon niet van. Ben sowieso niet zo’n prater. Een denker, dat dan weer wel.

Dus schrijf ik.
Een weblog, en dat reeds sinds 2002.

Een paar weken geleden kon ik via Facebook al mijn twijfels uiten omtrent die vergankelijke must van ‘Show, don’t tell’. Ik heb er zelfs iets over geroepen, en hoezee, men was het eigenlijk best wel met me eens. En gisteren – nogmaals hoera – mocht ik dan eindelijk dit artikel via Facebook lezen. Ja, jij raadt het dus ook. Mensen komen in opstand tegen deze slogan die je in elke hoek of gat van het Internet wel kan vinden.

Sindsdien huppel ik weer door het leven, is mijn zelfvertrouwen op rasse schreden teruggekeerd, en verwonder ik me – in positieve zin – steeds meer over mijn gefundeerde opinie. Want… ik blijk het nog niet eens zo verkeerd te zien…

To write, or not

En toen, ineens, viel me een gigantisch verschil op. Dat verschil in wat je leest of het geschreven is door een man (ja, echt?!) of door een vrouw. Soms (ja, echt!!) bewonder ik dat andere geslacht omdat ze juist niet in diepzinnige levensbeschouwingen vervallen, want, echt, soms word ik zo moe van die persoonlijk getinte blogposts.

Ik wil weer algemenere zaken zien, voelen, horen, aanraken, betasten. En zelfs beschrijven. Erover schrijven.

Maar waar begin je dan? Wie of wat is de pineut? En heb ik het wel in me, dat ‘algemenere’?

Dagen, úren, seconden vlogen voorbij. En toen, opeens, zag ik het licht. Ik schrijf maar zoals ik ben, want onpersoonlijk en afstandelijk gedrag heb ik nou eenmaal nooit begrepen.

Schrijven, kreng!

Schrijven. Ik wil het. Ik wil het kúnnen bovenal. En iedere keer zet ik me aan een toetsenbord, en schrijf n.i.e.t.s. Terwijl er toch een cursor geduldig knippert, zodanig dat ik er half neurotisch van word.

Ik verbeeld me, dat ik te veel moet loslaten. Perikelen uit het dagelijks leven. Je kent ze wel. Alsof je eerst je kop moet uitschudden – alsof je een kat bent na een onverwachte douche – om pas dan die andere dimensie te kunnen betreden. Eindelijk schoon.

Alsof die andere dimensie vergt dat je loslaat. Al was het maar voor even. Of dan tenminste een soort van helicopter view aantrekt – soort van Tinkerbell’s zweven daarboven – wat al je snode menselijke trekjes vervaagt. Die dimensie vind ik wel – meestal ’s nachts in het pikkedonker – als ik de eerste paar uur heb geslapen. En blijkbaar daardoor de nodige shit heb verwerkt.

Pas dan weet ik weer, wat ik vanwege mijn stille aard overdag niet kon zeggen, maar al wel wist.

Ik schrijf omdat ik niet weet wat ik denk, totdat ik lees wat ik wil zeggen

Dat schrijven moet me een klein beetje angst aanjagen, omdat dat mijn moed vergoelijkt. Alsof je voor jezelf een pad baant, dat je vertelt dat alles oké is, en als het niet oké is, dat nooit het einde betekent. Louter een nieuw begin…

Schrijven (in 120 woorden)

Schrijven en ik – dat klikt bijzonder – omdat ik puur uit verveling mijn verbazing zo fijn kan schetsen. Het scheelt daarnaast enorm dat ik kan voorkomen alweer een strippenkaart aan te moeten schaffen bij de dichtstbijzijnde psycholoog, want ik heb mijn bewuste psyche immers zodanig ontleed dat ik na dat schrijven vaak content genoeg ben.

Mijn vingers laten dansen op het toetsenbord is tegelijkertijd één der moeilijkste taken, omdat:

  • ik iets vereeuwig wat louter een momentopname is
  • ik besef dat een geschreven tekst ‘harder’ binnenkomt
  • ik zodanig spitsvondig wil zijn dat men me gelijk helemaal snapt

En ik me realiseer dat hetgeen ik schreef altijd nóg béter kán. Blijk ik steeds wéér die gevangene in dat miraculeuze spel van ons alfabet.