Het veertje dat me tot tranen bracht

Twaalf jaar geleden werd een foto genomen van jullie, tijdens een vakantie. Boven jouw hoofd verscheen op die foto een vliegende meeuw.

Twee jaar later overleed je. Precies op de dag van vandaag, nu reeds 8 jaar geleden. We kozen – niet denkend aan deze foto – voor een wegvliegende meeuw op de rouwkaart. Pas later viel dit ’toeval’ ons op. Het was zo’n moment dat je er rillingen van krijgt. Hoe dan ook.

Op momenten dat ik het moeilijk heb, verschijnt er steevast een meeuw in mijn zicht. Hij gaat zitten op het hek van mijn balkon. Of vliegt weg.

Ik had me zo voorgenomen deze dag juist niet te sikkeneuren, maar in alle dankbaarheid jouw leven te vieren. Dat verging me verbazingwekkend goed. Samen met moeders de dag doorbrengen, en een feestmaaltijd voor te bereiden en te eten. En iedereen die erbij wil zijn, is welkom, al kan dat tijdens deze Coronatijden dus eigenlijk niet.

De mensen die meeleven door een kort berichtje te sturen sluit ik voor altijd in een geheim doosje op, en bewaar de sleutel ervan, diep in mijn hart.

Het ging zo goed, totdat ik naar huis ging, een uurtje geleden.

Ik bukte voorover. En stak mijn sleutel in het slot van dat fietsslot en daar kleefde een heel klein veertje aan. Resultaat: een prop in mijn keel, en tranen van gemis, die ik niet langer kon onderdrukken.

Ik mis je nog altijd, elke dag. Als vader, als mens en als een vertrouwde ziel.

Al doe je – hemeltjelief – zo je best om me te laten weten dat je nog steeds ergens bij me bent.

Blufpokeren in de hemel

Vandaag had mijn vader vijfentachtig jaar oud geworden. That is, als hij het leven niet achter zich had gelaten, zo’n zes jaar geleden. En ik kan het niet helpen: ik zie hem daar zo zitten, op een wolkje, en een potje blufpoker spelen met al die andere overleden familieleden en kennissen. Potje bier, een nootje en chipje erbij, alsof dat mij vertelt dat het hem goed gaat. Ik kan het niet laten, soms uren te verdwalen in een denkbeeldig hiernamaals.

Hoe hij dan zonder meer zal vertoeven in hemelse atmosferen, want er stak niets, maar dan ook absoluut geen enkel greintje, geen een kwaadaardig duivelachtig hoorntje vanuit zijn achterhoofd. Ik mis zijn gortdroge humor, dat schalkse knipoogje daarbij en de klopjes op mijn knie en armen. Ik mis zijn helder blauwe ogen. Zijn verstand. En zijn stilte waarmee hij vertelde dat hij zag dat het goed was met die vredige blik in zijn ogen.

Soms wil ik even terug naar die tijd dat hij me weer de beginselen van wiskunde kon uitleggen. Zijn constatering dat dat toch allemaal vreselijk ‘logisch’ was allemaal.

Soms herinner ik me zijn boosheid, als ik me als kind te druk maakte over wat anderen misschien van me zouden denken. Hij kon als geen ander dan die zelfspot brengen: “Wij, van Van Putten, wij zijn nu eenmaal de besten…” Met andere woorden, ik moest nog leren die houding aan te nemen. Of nog beter: ik moest me die wijsheid eigen maken, dat anderen maar moesten denken: ‘so deal with it’.
Hij getroostte zich altijd veel moeite me altijd weer moed in te spreken, in die onhandige puberachtige twijfelmomenten van me.

Dat wolkje waarop hij nu zal verkeren, dat moet dan wel een veilige haven zijn, voor mijn gevoel. Ik zweer erbij, dat men hem daar graag zal hebben. Alsof de doden niets dan goeds verdienen. En alsof hij dan nu alles mag doen wat hier op aarde ‘verboden’ was.

Die wens is duidelijk de vader van mijn gedachten: hij mag nu eindelijk genieten van die oneindige stilte, maar alleen omdat ook ik nu weet dat het zó goed is…

Mijn vader had maar weinig woorden nodig

Het is nu drieënhalf jaar geleden dat je overleed. Bij vlagen – op de meest onverwachte momenten – kan ik hevig terugverlangen naar je aanwezigheid. Je glimlach, dat klopje op mijn knie, de bemoediging, en de vragende blik als je iets niet van me begreep, dat mis ik. Ik mis je kernachtige grapjes en je droge opmerkingen die ons allemaal in een stuip deden belanden.

En elke dag, wordt me meer dan eens duidelijk dat ik steeds meer op je lijk. Qua woordenkracht in het fysieke. Maar ook qua beschouwing op de wereld.

Voor ons beiden stond ons innerlijke leven op de eerste plek. Introversie was ons niet vreemd.

Meer dan eens vroeg ik me vroeger al af of jij ook dat gevoel had soms niet op je plek te voelen in een gezelschap, getuige de rust en stilte die je dan uitstraalde. Nu later – veels te laat – vraag ik me af, waarom ik dat destijds nooit bespreekbaar heb gemaakt. Ik had nog zoveel meer van je kunnen leren, immers.

En zo zijn er nog veel meer vragen die ik nu heb. Vragen die nooit beantwoord zullen worden.

Af en toe krijg ik het gevoel dat je toch nog steeds complimenten uitdeelt, dat je daarboven op die wolk ons blijft volgen en me aanmoedigt, omdat ik deep down wel weet wat je zou hebben gezegd.

After all, draag ik je karakter diep binnen in me met me mee. En als ik het nodig heb, open ik dat geheime doosje, en laat ik je weer even – als vanouds – een gesprek met me aangaan.

Ze zeggen wel eens dat het verdriet om een overledene minder wordt naarmate de tijd verstrijkt, maar niets van dat alles. Integendeel, des temeer ik mezelf leer kennen, des te beter ik weet dat ik nu meer op je lijk dan ooit. Vandaar dat ik je guitige oogopslag, je blikken, en je wijsheid nooit werkelijk zal vergeten.

Al was je altijd die stille kracht, je was wel dat prominente wezen die mijn leven richting gaf. En nog steeds doet, al is het daar vanaf een wolk.

Herinneringen aan mijn vader

Je hand op mijn knie als teken van steun. Dat bemoedigende knikje. Je guitige glimlach. Je gortdroge humor. Het zijn allemaal herinneringen. En ik kan ernaar teruggrijpen. Gesprekken met je voeren, omdat ik ergens in m’n brein precies weet wat er gezegd zou worden.

Ik herinner me die koude wintermorgen dat we gedrie pannenkoeken bakten, al moest ik op die stoel staan om bij de pan te komen. En dat ik je als kind al ten huwelijk vroeg en dat je daar als vader beretrots op was, het zelfs vertelde aan iedereen die het maar wilde horen.

De talloze keren dat je een poging waagde me logische zaken als wiskunde bij te brengen, terwijl ik flierefluitend andere zaken veel belangrijker vond. Die ene keer dat je met me mee zat te huilen, toen die rotperiode daar was. De mannen in mijn leven die je drie keer niks vond.

Vandaag is de dag dat je drie jaar geleden het leven liet. De zon schijnt. Fel. Er is bijna geen wolkje aan de lucht. Heel af en toe vliegt die ene meeuw voorbij. De pijn ervan is wat milder geworden. En heeft plaatsgemaakt voor een soort van innerlijke vrede, bijna sereen te noemen.

Toch mis ik je aanwezigheid bij vlagen zo enorm dat het opnieuw pijn doet. En prompt dat die meeuw dan voorbij komt als teken dat je er stiekem toch een beetje bij blijft.

Ik mis je. Maar koester elke warme herinnering aan je als een schat die men me nooit meer afneemt…