Hit the road

Laat het aan mij over om naar Maastricht te rijden via de Afsluitdijk. Mijn richtingsgevoel en topografische kennis heb ik ooit ergens opgeslagen in dat korte geheugen wat mettertijd wat deukjes heeft gekregen, vermoed ik. Toch vind ik niets fijner dan in de auto stappen met een of ander doel en de snelwegen onveilig te maken. En gisteren had ik dat doel, een bezoek brengen aan een voormalige buuf, ergens centraal in dit land.

Gelukkig kwam de smartphone voor mij op tijd, en daarmee de aanverwante applicaties, zoals Waze en zelfs Google maps, roep ik altijd. En ik schreef daar al eens eerder over, want natuurlijk blaas ik liever iedereen omver met mijn volume van die typisch kneuterige roadsongs, alleen geïnterrumpeerd door wegaanwijzingen van zo’n sexy navigatiestem. Ik vrees echter, dat ik, doordat ik luid mee vibreer op de muziek, dan nooit op tijd zal arriveren.

En zo gebeurde gisteren, vanzelfsprekend, waar ik min of meer al een beetje bang voor was. Mijn telefoon raakte oververhit ergens halverwege en deed niets – maar dan ook niets – meer. Als ik dan op een snelweg rijd met nauwelijks een clou of idee wanneer ik ervan af moet, of zonder die tijdelijke parkeerplek naast de weg, ga ik aardig op nog hetere kolen zitten. En het transpiratievocht druppelde al tierig weg. Zelfs het kussen waarop mijn kerngezonde derrière was gezeteld, was volgens mij al aardig aan het wegdrijven.

Nog afgezien van de temperatuur buiten, want die was ook al gestadig opgelopen, maar door deze strakke oververhitte actie van mijn feun, was ik stellig in de overtuiging dat ik binnen het uur ergens in een gehucht in Twente zou belanden. En waar lag Twente ook alweer? Was dat nog in Nederland, wel, of al over de grens? Ik bedacht me nog net op tijd dat ik vast mijn paspoort niet nodig zou gaan hebben.

Dat terzijde.

Ineens werd het donker doordat wolken zich samenpakten, en ergens daartussenin, werd een soort krater gelanceerd. Vanuit dat gat ontstond een prachtig samenspel van zonnestralen en heel veel licht. Zó fel en zó mooi, dat ik wenste dat ik dat plaatje had kunnen schieten met die verrekte oververhitte feun, die dus niks meer deed. En dat ik bijna vergat mijn aandacht bij de weg te houden. En aldus bijna een aanrijding veroorzaakte.

Druppels regen vielen op mijn voorruit. Grote druppels, met daarin kleine regenboogjes, omdat mijn auto onder dat gat met licht en prachtige zonnestralen reed. Nee, ik verzin het niet, maar even dacht ik, dat ik net als Scotty, gewoon zou worden ‘op ge beamed‘ via die krater ergens halverwege de horizon. En ergens, is het dan een teleurstelling als dat dan niet gebeurt.

Vlak daarna verscheen dat bord aan de rechterkant van de snelweg. ‘Lelystad: 5 km’. Ik was – hoe dan ook – weer gered…

Verdwaald en hervonden

Waarschijnlijk is een excuus vanuit hier wel op zijn plek. Mijn gedachtekronkels gingen heel even ‘op een dwaalspoor‘ (mooi woord) of was het louter een schoonheidsslaapje? Zoals ik nu thuis bezig ben met een grote Voorjaarsschoonmaak (brrrr).

Echt elk moertje, boutje, nippeltje heb ik van zijn plek gehaald en er een nieuwe bestemming aan gegeven. Onderwijl stond mijn brein niet stil, want ook daar is even een grote bezem doorheen gehaald.

Ten eerste ervaar je bij al die moertjes, boutjes en nippeltjes een gevoel, en ten tweede wil je er dan toch wel een beter leven aan geven door het een nieuwe(re) plek toe te wijzen.

Onderwijl dat ik daarmee bezig ben, want hé ik ben nog steeds niet klaar, mijmer ik wat af. Ik pieker namelijk over mijn blog op dezelfde wijze waarop ik twijfel over de richting van mijn leven.

Dat loopt ongeveer synchroon aan het moment dat je constateert dat je huis in totale wanorde verkeert, op hetzelfde moment dat de griep danig bij je heerst. En dat je best eens jezelf zou kunnen samenrapen om de boel eens fijn op te frissen. Qua ruimen, maar ook qua reinigen.

Zodat er in je hoofd, ziel en ego weer een tevreden moment ontstaat, die van: ‘rust, reinheid, regelmaat’.

En ik weet nu weer waarom men roept:

Niet twijfelen of proberen, maar gewoon doén.

Ik laat me teveel afleiden, af en toe, door mijn kijkcijfers. Mijn ambitie ligt te hoog. Nog steeds. En soms lijkt het op dat ik de enige 48-jarige blogger ben die de wil heeft om het pad des levens vast te leggen in the art of blogging. Da’s soort van een Rémy-gevoel. Dan voel ik me maar alleen, onbegrepen, en ga ik van de weeromstuit ook nog nadenken over de zin van het bloggen.

Dus raapte ik de moed op, die lag daar te verstoffen immers.

Ik stelde mezelf daarom een aantal vragen en vroeg me af, of ik het antwoord hierop nog kon geven.

Wat is nu het meest aantrekkelijke van bloggen voor mij? Welke momenten daarvan wil je niet missen?

De antwoorden luidden alle twee plotseling weer positief in de zin dat ik graag schrijf, liefst ’s nachts. En dat moment dat je vinger richting de publicatieknop zwerft en er even boven blijft hangen. Die spanning dat je het wéér voor elkaar hebt gebokst om een blogpost tot leven te brengen maakt dat het schrijven net iets meer gewicht in de schaal legt.

En daar heb jij het als lezer dan maar mee te doen…