Change management gone wrong

Bijna verdwaalde ik zelf ook in hogere management sferen. Ik volgde de opleidingen immers al. Echter, qua insteek, zonder me te hoeven bekwamen in het kunstje van een bedrijf, verloor ik al snel mijn interesse in de materie. En dat is achteraf bezien maar goed ook. Tijdens die opleidingen pas ontdekte ik, dat ik mezelf eerder een specialist wil benoemen, dan een generalist.

De laatste vijftig jaar heeft de wereld immers die kentering van dichtbij mogen aanschouwen. We gingen van kwaliteitsmaatschappij naar een systeem wat nu nog steeds wordt geregeld door economische specialisten en verander-management piepels. Met andere woorden, het geld regeert ons, terwijl die piepels nog maar weinig ‘verbonden’ zijn met de diensten die hun bedrijf of organisatie leveren.

Dat uit zich met name in bepaalde sectoren. In de zorg, waar men hogerop rijkelijk is toebedeeld en onderop: waar er handjes tekort komen. Geen wonder, het management snoept al de loonsegmenten wel op, en bedient zich van bonussen waar de patiënten nauwelijks hun voordeel mee kunnen behalen. Dat uit zich ook in de bouw, want er is haast geen goede timmerman of gedegen stucadoor meer te vinden, tenzij je ze zoekt in Polen. En dat doet men. Zwart.

Iedereen wil hogerop, iedereen studeert tegenwoordig. En natuurlijk is het logisch, dat men zich met een beetje intelligentie bekwaamt in de hogere sferen. En uiteindelijk de job krijgt, die men ambieert. Met die les zijn we immers groot gebracht: ‘Je mag worden wat je wil, als je er maar iets voor over hebt en doet!’ Zo van: ‘een slimme … is op zijn toekomst voorbereid’. Dat hoeft mijns inziens niet noodzakelijk toegespitst te worden op een meisje, maar nee, natuurlijk niet.

Toch vind ik het persoonlijk zo jammer, dat men zo weinig ambitie heeft tegenwoordig om een gedegen specialisme na te streven. We hebben dat verander (change) management wel genoeg van dichtbij gezien, immers, om er nog een zinnige economie van te kunnen brouwen. Het wordt weer tijd dat we de generalisaties achter ons laten, en ons weer richten op onze kwaliteiten en specialismen.

Al lijkt men nog veel te huiverig om terug te switchen naar waar we als mens goed in zijn, oorspronkelijk. Ik persoonlijk, zou eerder bang worden als men niets met deze wijsheid zou doen…

Wat Pix nooit eerder durfde te zeggen!

Ik herinner me nog die blauwe maandagochtenden, waarbij ikzelf in nog halfslapende modus mijn werkkantoor binnenliep, en bij mezelf dacht dat een kop koffie vast alles goed zou maken. En dat ik dan richting de dichtstbijzijnde koffiemachine strompelde en daar dat groepje zogenaamd geanimeerd kletsende collega’s vond. Dat ik dan nog net op tijd er een zo opgewekt mogelijk een vrolijk klinkend “Goedemorgen allemaal” uitkraamde. Er opdracht gaf voor dat viezige bocht wat voor koffie moest doorgaan. Vervolgens iedereen vooral nog eens vriendelijk toeknikte, waarna ik maar naar mijn eigen bureau sjokte en deed wat over het algemeen van me verwacht mocht worden.

Daar… ik heb het gezegd. Vol verbazing las ik gisteren diverse blogposts waarin men zich beklaagde over collega’s. Ik moet eerlijk toegeven, dat dacht ik ook zelf wel, maar zei het nooit. Durfde dat ook niet te zeggen. Misschien omdat ik denk dat ik me dan heel erg op glad ijs begeef, want wie vertelt mij immers dan dat mijn ‘geanimeerde’ collega’s wel zin hadden om op kantoor te bivakkeren, minstens 40 uur per week of langer?

Wie zegt dat die gladde jongen die altijd dat witte voetje probeerde te halen bij de baas, zodra hij hem in de nabijheid rook, het daar wel zo leuk vond? Wie zegt dat het knapste meisje van kantoor inderdaad al die aandacht fijn vond? En wie snapt dan ook die collega die er altijd – wie weet, was hij wel slimmer dan de rest – de kantjes van af liep en meer bullshit verkondigde dan werk verrichte?

Ik durfde dat soort dingen nooit te roepen, omdat ik het niet aardig vond van mezelf. Dacht altijd weer, dat die collega’s vast en zeker net zo’n hekel hadden aan mij, als ik aan hen. Want zat ik niet gewoon in de verkeerde baan, bij dat verkeerde bedrijf, op een slecht moment?

En dan was ik nog net op tijd pleite, voordat men die hachelijke kantoortuinen introduceerde. Waar je de hele dag van die prikkels binnenkrijgt van werkende kopieer- en scanapparaten, binnenlopende faxberichten, en overige telefoonbellen en -fratsen. Om nog maar niet te spreken van het binnenkomen van al dat functionele geouwehoer wat op een kantoor – zelfs zonder kantoortuin – ook altijd heerst.

Na wat jaartjes thuis te hebben gezeten, kan ik nu wel stellen, dat ik nog wel eens terug verlang naar al die jaren van nietszeggende ergernissen. Ik durf zelfs te zeggen, nu, dat ik soms dat sparren tussen collega’s wel mis. En dat ik er alles voor zou doen, uitgezonderd die kantoorgeluiden natuurlijk, om zelf weer zo’n omgeving te creëren, met collega’s waarmee ik dan eindelijk wel die klik zal hebben.

Want de Kunst is natuurlijk om zulke leuke collega’s én werk te hebben, dat je elke maand weer blij verrast raakt dat je ervoor wordt betaald…

De evolutie van een baan

Toen ik in 1987 aan mijn opleiding begon, leek de job van Secretaresse me geweldig, voornamelijk vanwege de pluraliteit ervan. Ik zou als regelneef/-nicht de zorg krijgen over allerlei zorgtaken. Te divers voor woorden. Van notuleren tot reizen boeken, van het uitwerken van stenografische teksten tot het tot stand brengen van evenementen. Als je maar uitkeek dat je niet het liefje van je baas zou worden, want hee, ook die naam had deze baan. Zelf vond ik Miss Moneypenny van James Bond een geweldig prospect, al heb ik het sindsdien nooit tot een geheime dienst mogen schoppen. Helaas.

Ik kwam net op tijd op die opleiding. We kregen typeles, en ook alvast tekstverwerken op een computer. Natuurlijk hadden we thuis al een Atari-ding, waarmee je – zolang je maar heel precies de code intypte – een lichtflits dat leek op onweer op het beeldscherm kon toveren, maar dat terzijde. We kregen nog les in WordStar, de voorloper van WordPerfect, volgens mij. Nog steeds kijk ik gefascineerd terug op die periode, want dat was voor mij een kennismaking met MS-DOS ook. Herinner je je dat nog?

Ik begon enigszins blue als Receptioniste in een hotel. Binnen een half jaar groeide ik daar op tot een wereldse vrouw. Dat doet de Horeca met je, naar blijkt. En ik had graag willen blijven hangen in die sferen, maar dacht dat het grote geld toch elders te vinden was.

Dus vond ik die job als Secretaresse op een afdeling Personeelszaken. Natuurlijk via een uitzendbureau. In die tijd zag ik nog niet helemaal in, dat een middenkader job als de mijne voortaan bijna altijd op die manier verkregen moest worden, maar ook dat terzijde.

De baan hield min of meer in, dat je mocht nadenken over hoe je de geadresseerde op een prettige manier mocht informeren over salariswijzigingen en bonussen, onder andere. Ik was eerder een uitgeschoven typegeit. En al die zorgtaken, die mocht mijn direct leidinggevende op zich nemen, zolang die ellenlange brieven maar de deur uitgingen.

En zo ging dat ook, met al die andere banen die ik sindsdien had. Typen, notuleren en uitwerken, en kopiëren dan wel inscannen, naast telefoonverbindingen doorzetten. Wat mij altijd zo tegenviel, was dat ik zelf maar bitter weinig initiatief mocht tonen, want ‘de dingen waren nu eenmaal altijd al zo’ bij bepaalde bedrijven.

Van de week zag ik op tv het nieuws dat deze functie in de toekomst zal komen te verdwijnen. Heel even, voelde ik een steek in mijn hart. En zo ook diegenen die op dit moment nog zo’n opleiding volgen. Dat laatste verbaast me nog steeds, dat jonge meiden zo tuk zijn op een vak als dit, en ook dat ze niet voorzagen dat het bijna einde oefening is. Then again, geen enkele wijze van planning, vervangt stom geluk…

Waarom ze niet langer dat k*twijf hoefde te zijn

Het was druk en er hing een chaotische sfeer op kantoor. Met een wat geïrriteerde houding schudde ze die atmosferische omstandigheden drastisch van haar Assistente eigen schouders af. Ze had veel te doen vandaag, minstens vijf notulen van vergaderingen uit te werken, waar ze als een berg tegenop zag.

Ze hield niet zo van die maandag-vergaderdag die ze binnen dit bedrijf hadden ingevoerd. Nog minder van de druk er nog iets degelijks van te maken, wat iedereen ook daadwerkelijk zou lezen. En ow ja, ze moest nog minstens dertig beoordelingsgesprekken inplannen in alle agenda’s, wat beslist niet makkelijk zou worden met de uithuizigheid van de heren. En ze zamelde ook nog geld in voor de afscheidscadeautjes van collega’s die de overname van het bedrijf vóór wilden zijn. Het zou nog wat worden om voor al die mensen met een leuk gedenkje op de proppen te komen. Ze had er zelf immers op deze manier ook niet veel zin meer in.

Eigenlijk vond ze dit werk maar niks. ’s Avonds kwam ze doodmoe thuis, en voelde niet echt dat ze iets wezenlijks had gepresteerd. Er was absoluut geen voldaan gevoel. Integendeel, ze vond dat ze tegen de bierkaai, haar eigen bierkaai, aan het vechten was. Vandaar dat ze haar functie dan ook spottend ’typegeit’ noemde, vooral omdat haar manager haar had opgedragen zelf haar eigen functie-omschrijving op te stellen in verband met de op handen zijnde kwalificatie-status van deze onderneming.

Naast haar zat kwebbelkous T. oneindig oninteressant te babbelen over de slechte verhouding die ze mocht onderhouden met haar schoonmoeder. Met een half oor, maar meer gefocust op haar werk, knikte ze af en toe dat ze het begreep. Dat ze luisterde. Meeleefde. Maar eigenlijk kon het haar geen moer schelen. T. was geen makkelijke tante en had op iedereen wel iets aan te merken, getuige de middelvinger die ze regelmatig liet zien achter de rug van haar managers om. Meer dan eens had ze een poging gewaagd nog iets van respect en opvoeding in de donder van T. te krijgen. Maar T. had het veels te druk met zichzelf om in te zien, dat het belang van het hebben van een goede baan niet te verwaarlozen was.

Dus schonk ze nog maar weinig aandacht aan T., die vervolgens haar best deed verscheidene geruchten van mijn verhouding met een van de andere collega’s in het leven te roepen. En koffie, daar kon ze ook naar fluiten. T. haalde alleen nog koffie voor zichzelf. Collegialiteit was ook zo’n dingetje voor haar. Een zweepje zou waarschijnlijk niet genoeg indruk maken, al had ze zich vaak voorgenomen het op haar te hanteren. Ooit.

R. kwam binnen en vroeg quasi-geïnteresseerd of de dertig voortgangsgesprekken al klaar waren. ‘Ja hoor, R.!’ dacht ze. En wierp hem in gedachten ook een middelvinger toe, achter zijn rug. Maar natuurlijk antwoordde ze dat ze er mee aan de slag was, en het naar verwachting binnen 3 dagen klaar zou zijn. R. glimlachte vriendelijk en zei dat hij hield van haar slagvaardigheid en duidelijkheid. En verliet de kamer. Ze keek T. maar even niet aan. Die zou waarschijnlijk groen en geel van jaloezie de volgende slag om haar oren zitten te bedenken.

De volgende dag werd ze wakker met een rothumeur en zwoer aan zichzelf dat ze per direct ontslag zou nemen, per minuut, als er weer gevraagd zou worden naar de status van de voortgangsgesprekken.

Het was klokslag negen uur toen de bom viel. Haar eigen voortgangsgesprek was om die tijd, en wat ze min of meer had gevreesd vanwege de slechte resultaten van dit bedrijf, werd waarheid. Haar contract, zoals alle andere contracten, werd opgezegd. Ze kon nog een maandsalaris extra verwachten, en toedeledoki.

Bijna huppelend liep ze naar buiten. Ze zou hier geen traan om laten. De toekomst lag nu open. Wijd open. En ze wist waar ooit een deur dicht zou slaan, er weer een ander raampje zich zou openen…

Hoe een paniekaanval te overwinnen

Plotseling zit het angstzweet in mijn handen. Mijn hart bonst als een tierelier. Iets wat verdacht veel lijkt op een paniekaanval neemt de overhand. Of lijkt dat te zullen doen.
Ineens is die levensgrote droombubbel gebarsten. De waarheid presenteert zich als een moker die nietsontziend de brokstukken naar mijn kop gooit en me de werkelijkheid laat zien.

‘Ik zit niét op de juiste plék’, denk ik vertwijfeld.

Ik constateerde het toen ik de voors en tegens tegen elkaar afwoog terwijl ik op ’t Internet aan het speuren was. Ik zou zo graag die ene opleiding willen volgen. Al was het alleen maar om mezelf nuttig bezig te houden.

Had ik minstens vijfentwintig jonger geweest dan was dat geen probleem. Nu dringt die genadeloze nuchterheid tot me door. Mijn leeftijd zit tegen, naast de huidige opgefokte crisis, naast het feit dat er geen banen voor het oprapen liggen. Iedere keer weer die gedachte dat ik niet nog minstens twintig jaar die uitkering – hoewel ik daar best dankbaar voor ben – moet blijven genieten. Teruggaan naar mijn vorige baan – in dat eerdere leven in een vroeger bestaan – lijkt me niet handig. Louter vanwege het door de crisis weggevaagde middenkader zie ik daar niet langer brood in. Bovendien, ten tijde dat ik die opleiding volgde werd een Secretaresse nog gezien als een regelrechte spin in het web. Tegenwoordig ben je niet méér dan een type-miep.

Het enige wat ik nog kan doen is denken, twijfelen en nog eens peinzen. Wat moet ik? Wat wil ik? Wat kan ik? Hoe nu verder?

En ik kan nog zoveel! Waarom heb ik dan potjandorie geen toffe baan? Waarom zit ik in een impasse en worden de meest kundige mensen aan de kant geschoven? Vanwege die paar Euro’s minder aan salaris? Of louter vanwege het feit dat we naarmate de leeftijd vordert niet zo makkelijk bijgekneed kunnen worden? En is dat financieel-economisch wel toelaatbaar om al die capabele mensen een uitkering te laten genieten? Dat kan toch anders?

Tussendoor denk ik aan de jaren die achter me liggen. Waren die tevergeefs dan? Mijn God, wat heb ik in die tijd niet allemaal gedaan, geleerd, uitgezocht, mezelf ontwikkeld. Is dat dan allemaal voor niets geweest?

Ik verzin voor mezelf een limiet aan tijdsspanne voor deze angstgedachten, met op de achtergrond het idee dat een crisis vaak gezond genoeg is om er ook weer uit te klauteren. Tien minuten mag ik net zo lang twijfelen en panieken als ik wil. Daarna moet ik dat concept laten varen.

Ik neem een kop koffie. Kijk eens naar de horizon die veruit strekt en zo zwart is als het maar zijn kan. Slapen doe ik maar niet meer. Ik ben veels te wakker. Wanhopig probeer ik het paniekerige gevoel van daarnet los te laten en me te concentreren op iets constructiefs. Als altijd uit zich dat in het aanpassen van de lay-out van dit blog. Dáár, dat maakt me rustig. Het stemt me voor heel even tevreden dat ik zelfs problemen overwin van theme errors.

Ik neem nog een kop koffie. En nog een. Schrijf uit pure wanhoop dit blog, zodat ik het nadien nog eens op mijn gemak terug kan lezen. Om misschien een pad te kiezen waar ik iets mee kan.

Daarna kan ik pas rustig ademhalen. Ik heb mijn paniek van daarnet weer verslagen. Ik ben Zen. Voor nu…