Ziek zijn, ik kan het niet. Ben daar heul slecht in. Ik kan onaardig worden, zelfs niet lief zijn voor mezelf, terwijl ik dat op zo’n moment juist zo nodig heb. Ik kan slapen, dagenlang en daarna wakker worden alsof ik op een nieuwe planeet ben gelanceerd. Dan ben ik weer nieuw, nieuw, nieuw. Maar laten we niet te vroeg juichen. De storm is nog niet helemaal geluwd.

Het kwam, ik paste op, op een klein joch dat natuurlijk elke dag trouw een crèche bezoekt en vervolgens een opvang. Die kids, daar heb ik toch wel weer een grandioos respect voor gekregen, want ze niesen, proesten, kuchen, dat het een lievenlust is, terwijl ze braaf op zoek zijn naar juist, die regenbogen. Leuk en lief dat. Ze spelen, doen, spelen nog wat meer, en zieken hun virussen dan wel bacteriën eruit. Spelenderwijs.

Ik vraag me af, wat er onderhand met mij gebeurd is, want daarna werd ik geveld door zo’n virus of bacterie, wat je het ook noemen wilt. Maar onderwijl spelen. Ho maar. Ik lag gevloerd. Ik was geen mens meer. Ik deed nog zo mijn best, om het op een volwassen manier op te pakken, maar er kwam geen ene zuchtje aan goodwill uit mijnerzijds. Soms was ik het zat, dan speurde ik ook richting de hemel naar een regenboog, en probeerde daar iets positiefs van te brouwen.

Kijken naar kinderen is een van de machtigste observaties die je als volwassene maar kunt doen. Het leert me voor een keer weer terug te grijpen naar spelen en spelenderwijs kijken naar het leven. Het leert me weer die typische ‘onmogelijke’ vragen te stellen. Zo van: ‘Hoe zou het zijn, als…?” en “Warum, wieso, weshalb…?”

Ik hervond daarin een grote schat van waarde, alsof je elke bloem die desnoods aan onkruid groeit weer opnieuw beleeft als zijnde een mooie ervaring. En alleen al de herinnering aan het woord regenboog brengt een big smile op mijn pokerface, al moest ik er van huilen, omdat de fantasie van het kind in mij verloren was gelopen…