Men roept dat ik een vrouw ben. Zo zie ik eruit, tenminste. Ik ben echter opgegroeid met allemaal jongetjes uit de buurt en heb maar één – oudere – broer. Als ik van een schommel knalde, schoot ik in de lach, in plaats van dat ik in janken uitbarstte. Ik heb dus geleerd te knokken, raaskallen, en stoeien met mannen.

Later – toen ik naar de kleuterschool ging – ontmoette ik er andere types, in de vorm van meisjes. Dat was behoorlijk wennen. Niet alleen werd de toonzetting in gesprekken serieuzer. Ik ontdekte dat er met meisjes problemen ontstonden vanwege mijn temperament – lees: als in onbegrip van mijn kant – omdat er na een schijnbaar onbelangrijke schermutseling altijd oorlog ontstond. Van een jongen kreeg je een blauw oog en was zijn zegje daarmee gedaan. Van een meisje kreeg je de volle laag en werd je nadien voor maanden – dan wel de rest van je leven – in de negeerstand gezet.

Geef mij maar een blauw oog. Een stoeipartij. Een woordenwisseling desnoods. En daarna de mogelijkheid om door te gaan met mijn leven en voorbij die ruzie. En graag ook een leven voor die ander.

Nog steeds bespeur ik bij vrouwen een wat serieuzere toon. Daar probeer ik zelf van alles aan te doen. Ik gooi er humor in, als zij daar niet van gediend zijn. Ik ben boos als men dat niet van me verwacht. Ik neem afstand, als zij aangeven dat te willen. En steeds opnieuw ga ik de fout in.

Ik moet er geen pret van proberen te maken als iets doodserieus is. Ik moet niet boos worden als ik iets niet snap. En vooral, geen afstand nemen als een vriendin dat roept, want miraculeus genoeg is dat het omgekeerde van wat men werkelijk wil.

Dat zijn allemaal kleine feitjes waaraan ik me probeer te houden, maar meestal lukt het deze jojo beter om met mannen te communiceren. Heerlijk, helder, en daar ken ik mijn grenzen.