Picture this: omringd zijn door naaste familie die allemaal – echt, stuk voor stuk – twee rechterhanden hebben, dat heet, superhandig zijn. En ik, die daar op jonge leeftijd, zeg maar, niet zo gecharmeerd van was. Verbouwingen, ik had/heb er een hekel aan. Vertel me, dat ik iets zou moeten veranderen aan mijn huis. Iets wat beter kan, en ik zal mijn tong uitsteken. Hell no!

Ik vertoefde – toen al – liever aan het raam starend naar de horizon. Werd er – toen al – op uit gestuurd om des middags soep voor de klussende menigte te maken, te zorgen voor de innerlijke mens. De vaatwasser bij te houden. En prompt ook daar een hekel aan te krijgen.

Kortom, ik werd die on-handige muts die voor alles afhankelijk werd van anderen. That is, voor zo lang dat mag duren, want ik krijg er zelf plots de balen van. Die afhankelijkheid moest maar eens over zijn.

Vanmorgen werd ik geconfronteerd met mijn afhankelijkheid. De riem van mijn wasmachine was losgeraakt, de trommel draaide niet meer. Kleine bijkomstigheid, zou je denken. En dan kan ik zo boos worden op mijn eigen klunzigheid, dat ik zelfs een wasmachine een boze schop onder z’n hol geef zodat ‘ie het uiteindelijk wel weer doet.

Uiteindelijk… weet je… kun je… ben je zelf in staat tot grootse klussen. Als ik maar eerst eens boos word op mezelf… mezelf dwingend aankijk in de spiegel… en dan overga tot actie.

Dan pas weet je. Ik ben in wezen een zeer onafhankelijk mensch van vleesch en bloedt…