Valentijnsdag 2016. Met toenemende drang probeer ik mijn single bestaan als een luchtkasteel – met niemand die mij wijst op de valkuil ervan – op weergaloze wijze na te streven. Terwijl het soms beter is dat ik mijn dromen laat varen, daar mijn leeftijd niet garandeert dat ik überhaupt kan vasthouden aan een fantasiewereld. Zo’n wereld waar ik mijn onafhankelijke ik wel moet opgeven.

Verzinsels en werkelijkheden – hoe onoverzichtelijk en chaotisch ook – drijven mij de toekomst in, aangezien ik mijn verleden wil vergeten. Eensklaps. Als een donderslag bij heldere hemel. De wekker der realiteit kan me niet langer bekoren.

Onverstoord ga ik door. Stoïcijns als een tovenaar die daarnet is verteld dat hij eigenlijk helemaal niet kan toveren of tot leven kan wekken, en weer laten verdwijnen. Dat toverstokje, dat heb ik bij vlagen, maar niet altijd, zodat ik af en toe – al is het maar voor even – kan vluchten voor de realiteit.

Ik ben als een vogel die onverschrokken een vlucht maakt naar betere en leefbaarder oorden in Verweggistan. Vluchtend voor het slechte weer of de angst voor de mens die mij gevangen zal houden in dat doosje terwijl achteloos de sleutel wordt weggegooid. Immers, daarom bouwen vogels luchtkastelen en vluchten. Ze vliegen eenvoudigweg naar betere omstandigheden.

Zo zijn úren, minuten, seconden gevuld met dromen. Ze wijzen me de weg naar hoe die perfecte partner zou moeten zijn. En af en toe werp ik een blik in mijn spiegel, en weet ik dat de weerspiegeling genoeg is om van te houden. Al blijf ik eeuwig alleen.

Tríng! Tríng! Er wordt aangebeld, en alles dringt in essentie tot me terug. Ik neem een bos rozen in ontvangst van mijn anonieme Valentijn. Ik dank God op mijn blote knieën dat ik die geheime aanbidder tot op heden nog niet had ontdekt. Ik lees het kaartje toch maar even. En weet dan… het komt van mijn moeder.