Toen de eerste verscheen, rukte ik het nietsontziend eruit. Ik dacht, dit is verval wat ik nog wel even uit kan stellen en vooral: that should do it. Nu, een paar dagen later keek ik des morgens in de spiegel of er überhaupt nog iets van te maken valt, make-upgewijs, van mijn hoofd. En soms, soms is dat schrikken.

Ik kan me niet ergeren, nog niet, aan mijn kraaiepootjes. Die zijn immers een dankbare herinnering aan al die keren dat ik – en soms zorgwekkend, qua hysterie – aan het lachen werd gebracht. Of aan de lijntjes die, verduveld als het niet waar is, toch ook steeds meer mijn voorhoofd gaan sieren. Eveneens maakt het me niet zoveel uit, dat ik sinds mijn zesentwintigste driftig in de weer – lees: in continue staat van oorlog ben – met de grijze haren op mijn ‘slapen’.

Maar die grijze wenkbrauwen, die nu toch wel opdoemen, die gaan me een tandje te ver. Ik weet ook niet goed of ze revanche zullen nemen door ze meedogenloos te verwijderen met een pincet. Zullen er dan meer komen? Zullen ze elkaar aansteken door stelselmatig in die zo gehate kleur grijs te veranderen?

Is dat de reden dat de caissières in de supermarkt me steeds vaker met ‘mevrouw’ aanspreken? En dat je iedere keer – daarna – geneigd ben ze te willen slaan?

Zien ze die wenkbrauwen, en denken ze vervolgens, dat ze met respect moeten bejegenen omdat de ouderdom nu écht heeft ingezet?

Wie zal het zeggen? Ik weet wel, dat ik liefst de hele dag check of er nog meer bijkomen, wat me dan toch weer verbaast. Ik dacht altijd gracieus oud te kunnen worden, en vertel mezelf steeds weer dat ik net als oudere wijn steeds beter in de smaak zal vallen bij letterlijk iedereen, dus niet alleen dat mannelijke geslacht.

Toch vind ik het wel een reusachtig verschil, iemand met reeds grijze haren of zo een mens met grijze wenkbrauwen. Dat laatste maakt me echter onvermurwbaar. Ik ben – voor mijn gevoel – nog te jong om voor oud versleten te worden. En dus pak ik driftig die pincet op, en ruk ze er – alledrie – hardhandig uit…