We liepen er kwijlend voorbij en moesten het ding wel even bewonderen in die megastore. Zo’n te gek – wauw – vijfpits modern elektrisch fornuis, met een oven onderin waar je liefst tegelijkertijd zo’n acht (8) appelkruimeltaarten kunt bakken. Nooit eerder hadden we dit specifieke inductie-toestel gezien, want hee, deze familie kookt al járen niet meer op gas. En hoewel ik aanvankelijk dus niet zo van het koken ben, want happily single, is dit toch wel een ambitieus hebbeding.

Als ik al een f*ckitlist (lees: bucketlist) zou hebben, dan zou deze accessoire toch wel een grote voorkeur genieten. Naast een knalroze Smeg-koelkast van Amerikaanse proporties. Ik fantaseer er dan maar bij, dat mijn koelkast altijd helemaal vol zou liggen met lekkernijen, terwijl ik – tegenwoordig – vaak genoeg alweer misgrijp wegens geen zin in boodschappen doen, maar dat terzijde.

Want ik vertel je eerlijk, áls ík kook, dan heb ik nooit genoeg aan louter vier kookzones. Ik doe een jus-, een saus-, een pan voor de groente, of zelfs twee, en een pan voor de pasta/rijst/aardappelen. En waar blijft mijn braadpan voor vlees dan? Ik goochel wat af, met potten en pannen, van de ene juspan op die ene pit, en met een blik op de tijd, verplaats ik af en toe een andere sausjespan naar diezelfde pit.

Grappig dat ik ergens lijk op mijn vader, die niet heel succesvol zo’n veertig jaar probeerde ons een lekker kerstbrood voor te schotelen. Maar altijd de mist in ging, omdat hij de benodigde hoeveelheden zout, boter, en suiker in een recept waagde te betwijfelen. Wij, thuis, noemen dat dan ook: ‘creatief met formules’. Net zoals wij ook nooit handleidingen lezen voor gebruik van een elektrisch toestel. Je bent handig, of niet, immers. Dus, waarom zou je ook? Maar ik dwaal wéér af.

Ooit, en dat is een fanatieke droom, ga ik een kookclub beginnen, als ik de vijfenvijftig passeer. Ik zie mezelf dan tijdens het koken genieten van dat rode wijntje, terwijl ik driftig aan het stoeien blijf met recepten, die ik min of meer creatief en met liefde bewerk in mijn koppie. En met een lepel in de aanslag, om tussendoor lekker, maar vooral stiekem, even te proeven van mijn dis. Het water loopt nu al weer in de mond.

Voel je ‘m?