‘Hoe voelt dat voor je?’ is wel een van de lastigste vragen die je me kunt stellen. Naast de vragen wat je plannen zijn voor vandaag en hoe je om wenst te gaan met de rest van je leven. Vragen, vragen, vragen, en ik ondervond destijds al zo’n moeite met opstaan, laat staan ademhalen. De vragen werden steeds benauwender. Ik had het gevoel te moeten wegkruipen in een heel donker holletje in een hoek van de kamer, waar ik liefst ongezien de dag verder kon doorbrengen.

Die indringendheid, dat (onder)zoekende, maar zeker ook de angst om voorgoed achter gesloten deuren te moeten verdwijnen maakten dat ik het hart niet op de tong droeg. Misschien dat mijn eeuwige scepsis de overhand had genomen. Waren die pyschiaters en hun verpleegkundigen immers niet ook een beetje maf?

Ik kon sowieso geen antwoorden bedenken op die vragen. Sloeg op tilt. Had geen zin om dat stukje verantwoording af te moeten leggen aan een volmaakte vreemdeling. Misschien was ik wel obstinaat maar ik voelde dat ik steeds meer verwijderde, ver weg van mezelf. Had er heel veel moeite mee om zaken te benoemen. Als er iets is, wat me aan anderen vrijwel altijd verbaast is dat zij dat wel zo goed kunnen.

Ik heb voor altijd dat gevoel dat ik wat uitstel nodig heb om iets een plek te geven. Wat een heel vreemde eigenschap is als je net zo ongeduldig bent als ik. Maar daarentegen ben ik een Weegschaal, en van nature graag aan het wikken en wegen voordat ik een helder antwoord kan formuleren.

Ik heb me nooit zo onzeker gevoeld als in die tijd dat ik wekelijks gesprekken voerde met de psych, danwel een verpleegkundige in die sector. Ik wist eerlijk gezegd ook niet hoe snel ik weg kon wezen.

En toen eenmaal dat verlossende antwoord kwam dat men me los ging laten als ik dat zelf maar aandurfde (?!?), zolang ik maar beloofde dat ene pilletje dagelijks te nemen, voelde ik me intens bevrijd. Ik stopte met twijfelen omdat ik niet langer bang was voor een weerwoord of het advies hoe ik het beter zou kunnen doen. Ik was blij dat men niet langer zat te wroeten in mijn familiegeschiedenis en wat de rol van mijn ouders waren in dit geheel. Ik was vooral blij dat men me niet langer op een dwaalspoor zag, maar dat ik het waard was alleen verder te gaan.

En nog steeds waak ik ervoor niet weer terug naar dat circus te moeten. Wat heeft dat zenuwslopende gedoe een indruk achter gelaten. En wat zijn de affirmaties van mezelf geloofwaardiger dan van die wroetende tranendal kwekers.

Tegenwoordig leer ik te bouwen op mijn intuïtie en onderbuikgevoelens. En dat schept zowel vrijheid als zelfvertrouwen. Laat mij maar zelf aanmodderen, dan kom ik er heus zelf ook wel. Misschien duurt het wat langer die weg, maar dan nog kan ik stellen dat ik het wel helemaal zelf heb gedaan.