Ze kwamen in een mandje. Twee katers, één gitzwart, en een rode gestreepte. Twee broers en nog kittens. Erg Noors qua uitstraling. Hadden best lange poten. Binnen no time klommen ze via mijn benen (auw) op het aanrecht, voornamelijk als ik hun het avondeten gaf. De keren dat mijn haren rechtovereind stonden van de schrik (ieks), omdat een van de kittens achter een deur zat te wachten en direct in de aanval ging op alweer mijn stampers, waren ontelbaar. Ik heb ook vaak smakkerds gemaakt over stoelen en tafels, tot zelfs een hersenschudding aan toe (sirene ambulance), omdat een van de kittens vlak voor mijn voeten een aanval deed. Heb snorharen en staarten gered van te dichtbij een brandende kaars manoeuvreren. Maar hemeltjelief, hoe snel veroverden deze hairballs mijn hart?

Het heeft me ook relaties gekost. En avondjes seksen. Want ga een kat maar eens vertellen waarom een slaapkamerdeur ineens voor hun nieuwsgierige neusjes op slot ging. Uit wraak krabten ze de verf – en dat urenlang – eraf totdat een van mijn ex-en daardoor te veel werd afgeleid en er geen zin meer in had.

Ik werd meermaals voor een voldongen feit gesteld; of de katten eruit, of zijzelf.

Maar welk een garantie bracht een prille relatie me dan wél, en hoeveel zekerheid zou een relatie mij brengen, als ik bij voorbaat al mijn liefde voor beesten moest opgeven?

Ik koos dus altijd weer voor mezelf, én een katterige haat-liefdesverhouding met deze twee heren. Al kon ik ze niet goed opvoeden, daarvoor ben ik te inconsequent. Ze schonken me meer voldoening met hun gesnor en gespin als ik thuiskwam, en hadden ook meer begrip voor mijn ellenlange verhalen over louter mezelf. En better yet, ze betweteren nooit en zijn het ook nooit oneens met me. Al ben ik blij, dat ze niet – zoals wij – kunnen praten, want Godbetert, berg je dan maar…