In een groep mensen verzuip ik. Liefst klampte ik mezelf vast aan een muur om achter het behang te kruipen, als soort van muurbloem wat louter als versiering dient. De dynamiek van de groep overweldigt me. Je krijgt dan allerlei vreemde ‘Beziehungen’ – soort van relaties – en men gaat zich ‘stoerder’ gedragen dan dat men in wezen is. In tegenstelling tot wanneer je die ene persoon één op één aantreft. Dan zijn ze plots anders dan in die groep.

En daar ben ik heel erg allergisch voor. Ik spreek dan ook liever af met iemand alleen. Of als extreme uiterste een tweede erbij, maar eigenlijk gaat me dat al te ver.

Misschien is die sensitieve onderhuidse wrevel ontstaan als compensatie voor mijn slechte gehoor. Ik bedien mezelf van heel andere voelsprieten, zeg maar. En die voelsprieten komen bij mij soms erg negatief binnen, zelfs als de rest daar niets van heeft opgemerkt.

Vaak vecht ik ertegen. Probeer ik die voelsprieten uit te schakelen. En gewoon lekker mee te doen met de groep, maar meestal is er wel een situatie die me dan weer doet terugdeinzen in mijn hoekje als observator. Kennelijk bespied ik houdingen van mensen, blikken over en weer, verstandhoudingen, gedragingen en daarmee doe ik iets. Ik sla dat op en naar aanleiding daarvan trek ik conclusies die ik heel lang vasthoud.

Men is zich daar denk ik niet zo van bewust. Heeft er geen idee van hoe een groepsdynamiek en mijn voelsprieten me dusdanig bezighouden dat ik niet langer participeer maar als buitenstaander de boel bekijk, beoordeel en analyseer.

Ergens irriteert het me van mezelf, maar het schenkt me wel boel informatie over die ander.
Ik baseer mijn eigen houding ten aanzien van die ander daarop.

En meestal zie je dan dat je uiteindelijk die beeldvorming heel nauw en precies hebt waargenomen. Zo’n perceptie is vaak heel gekleurd totdat ik het bewijs krijg aangeleverd dat ik er niet al te ver naast zat…