Heb maar voor bitter weinig dingen geduld, behalve voor het ‘on hold’ zetten van mijn leven. Ik wacht altijd tot het geschikte moment daar is. Ik wacht op een vrijdag, voordat ik mag genieten van mijn vrije dagen: het weekeinde. Ik wacht totdat ik op mijn streefgewicht ben en zelf een beetje gelukkiger ben, voordat ik dan eindelijk ga zoeken naar een levenspartner. Mijn haar zit nooit echt goed genoeg, ik denk dat ik wacht op de volmaakte lengte.

Zo stel ik het leven – het échte léven – natuurlijk altijd een beetje uit.

Maar wanneer is dat dan? Wanneer mag dat leven dan eindelijk gaan beginnen?

Genieten doe ik wel, maar sta eigenlijk nooit al te lang stil bij die lichtpunten. Ik vergeet maar al te vaak, voor ik ga slapen, even stil te staan bij de voorgaande dag. Te benoemen wat er mooi was. Waar ik genoot. Wat de pluspunten waren.

Het is natuurlijk van de zotte, dat je altijd wacht op iets wat nóg béter wordt. Het leven wat ik leid, zou sowieso mooi genoeg moeten zijn, om ieder ogenblik even dat geluksmoment te proeven.

Proeven is dan ook een prachtig woord. Je moet het leven proeven. En plukken, dat is ook zo’n mooi woord. Misschien omdat ik nu diepzinniger over de betekenissen ervan nadenk. Misschien omdat ik ze nu beter begrijp.

Hoe komt het dat je na een bepaalde storm in je leven pas gaat inzien, dat die wolkenpartij boven je toch wel van het zeldzame soort pracht is? Dat je pas snapt, dat je eigenlijk elke paardenbloem wel zou willen plukken om de zaadjes ervan ongegeneerd weg te blazen. Als een kind, zo blij.

Ik neem me voor, elke morgen vroeg op te staan. Te genieten van de weldaad van de stilte, van het gelijktijdig wakkerder worden met het lichter worden daarbuiten. Elke ochtend beschrijf ik – in mijn dagboek – waarop ik niet langer kan wachten. Elk zonnestraaltje vat ik samen totdat ik als een blij ei dan eindelijk de dag aankan. Wat mij betreft: is het échte leven nu dan werkelijk begonnen, en ik kan niet meer wachten.