Op dat moment dacht ik nog, lief dagboek, doe het niet, pak die snotterige tissue niet aan en blijf uit de buurt van die schattige peuter, maar helaas, het leed was met één keertje niesen in mijn richting al geschied.

Mijn kop wentelt zich nu al meer dan een week in bakken met snotterigheid. Mijn lijf, echter, weet niet goed of het nu wel of niet koortsig is, getuige de momenten dat ik door een bak denkbeeldige ijs waad of mezelf onverwijld bevind op een subtropisch eiland met zo’n kekke hete knuffelmuur. De extra warme truien draag ik om de haverklap, waarna ik me even snel weer half naakt strip om maar voor heel even afkoeling te vinden. En dat iedere tien tot twintig minuten, lief dagboek.

Ik slaap van de weeromstuit slecht, dagboek, en dromen dringen tot me door die me geen positieve berichten meedelen, waardoor ik denk de volgende morgen vast niet te gaan halen. Hortend en stotend draai ik me dan maar weer eens om, om in deze zo niet sexy pyjama toch wat extra zweet dan wel transpiratie te genereren. En hoop vurig elke morgen weer fris en monter wakker te worden, en dat het leed – dát vréselijke lééd – achter me ligt.

Ik heb deze afgelopen week – werkelijk waar – zelfs last van zeer depressieve klachten, ben van de weeromstuit innerlijk diep chagrijnig want heb zo geen zin in dit sneue gesnotter. Denk ieder moment dat ik het leven zal laten. Soms zelfs meen ik dat het moment is gekomen, dat ik iedereen moet bellen, om afscheid te nemen. Of zal ik dat door mijn huisarts laten doen? Het jammere daarvan is dat ik mijn huisarts nog niet eens op de hoogte heb gesteld van deze misère. Omdat ik er geen zin in heb, om te horen dat ik maar weer eens moet gaan stomen, en die extra pitamientjes moet slikken. Ze komen immers altijd te laat, die zo nodige vitaminen.

Waarna ik mezelf het volgende moment een denkbeeldige schop verkoop en ik mezelf vertel dat het máár een verkoudheid is. Een flinke, en nare, maar dan toch maar louter die verkoudheid. Plus dat er soms van die heldere momenten zijn, dat ik meen te weten dat wat je niet omlegt je sterker maakt, en dat ik – mocht ik dit toch nog overleven, lief dagboek – wel zal beschikken over super heroïsche krachten.