Soms denk ik terug aan mijn kinderjaren. Mijn wensen van toen, en wat daar van over gebleven is. Ik weet me nog heel helder voor de geest te halen dat ik ‘later als ik groot was’ op een kei-echte woonboot zou gaan wonen. Al dobberend op het water. Met een bureautje voor het raam, al genietend van het wonderschone uitzicht. Om daar dan prompt je leven te overdenken terwijl mijn vijf kids, ongedisciplineerd en bovenal onopgevoed, mijn woonboot verbouwen al spelende.

Nog steeds kijk ik half-verlangend naar zo’n geweldig woonerf uit. Al betrap ik mezelf erop het waardeloos te vinden dat ik maar met een gangetje van 30 km per uur erlangs mag rijden. Het lonkt nog steeds.

Daar zit je dan in een wat sloom appartement op twee hoog, maar niet achter. Mijn uitzicht is een ander flatgebouw. Al kijk ik daar dan op tussen twee complexen door. Het stoort me soms enorm.

Ik vraag me dus wel eens af, wat er allemaal is misgegaan met dat leven. Werd ik werelds? Werd ik werkelijk zo saai dat ik me heb gevoegd naar de bourgeoisie, omdat dat nu eenmaal de wijze is waarop ‘normale’ mensen fungeren? Of heb ik destijds genoegen genomen met ‘minder’ omdat dat toen even beschikbaar was?

Zo droomde ik vannacht van een kunstgallerij. Niet dat ik zelf die artiest was. Nee, ik liep gewoon tussen die prachtige kunstzinnige uitingen en staarde er wat levenloos naar. Vanmorgen werd ik dus wakker met een knallende koppijn. En de vraag waarom ik eigenlijk nooit naar een Kunstgallerij ga.

Ik denk dat mijn dromen me iets proberen te vertellen. Ik denk dat mijn dromen me heel wezenlijk wijzen op open mogelijkheden, opties desnoods. Als je je ooit écht gaat vervelen, zou je dat soort zaken kunnen oppakken. Sterker, ik weet dat mijn dromen me enigszins dwingen nog iets van mijn leven te maken voordat de Internethype voorgoed verleden tijd is…